Foto Frederik Cornelis

Foto Frederik Cornelis

 

Inge Braeckman (Gent, 1974) is een onafhankelijke publicist, curator, redacteur, dichter en schrijver. Ze is Licentiaat in de Rechtsgeleerdheid en studeerde Germaanse Filologie aan UGent. Na haar studies ging ze als journalist aan de slag voor De Gentenaar en Het Volk, waarvoor ze de tentoonstellingen in het S.M.A.K. recenseerde. Ze schreef ook reisverhalen voor Het Nieuwsblad.
Sinds 2000 werkt ze als kunstcriticus, redacteur, vertaler en proofreader. Zo redigeerde ze voor uitgeverij Ludion onder andere Urbi et Orbi van Luc Deleu, Decennium - Kunst in Europa na Documenta IX, Tant Pis van Honoré d'O, Sam Dillemans, Welcome to Belgium van Charif Benhelima, Michaël Borremans, Het grafische oeuvre van Roger Raveel, The Museum of Museums van Johan Van Geluwe, Dagboeknotities van Ronny Delrue, I don't get it van Luc Tuymans, et cetera. Ze was curator voor de 51e Biënnale van Venetië. Ze werkte ook als redacteur en projectcoördinator voor Cera Foundation in 2006-2007 en 2009-2010.
Ze is werkzaam als publicist voor onder andere <H>Art Magazine en talrijke galeries in België.

Inge Braeckman debuteerde in 2009 bij het Poëziecentrum in Gent. Intussen verschenen bij diezelfde uitgeverij drie bundels van haar. Maar ze publiceerde ook gedichten in verschillende tijdschriften zoals Revolver, De Volksverheffing, Deus ex Machina, Oikos, Poëziekrant,... 

In 2013 werd een van haar gedichten geselecteerd voor de 100 beste gedichten van de VSB Poëzieprijs, gekozen door Saskia J. Stuiveling.

Haar gedichten werden reeds vertaald in het Frans, Duits, Engels, Roemeens en Koreaans.

 
 
Lezing Watou 2009

Lezing Watou 2009

 

Pers

 

Drie dagen ziekenhuis. Goed voor 5 dichtbundels, 2 romans en vier tijdschriften. De merkwaardigste bundel is van Inge Braeckman. Afwijkend formaat: A4. Er moet heel wat slijmwerk aan te pas gekomen zijn om uitgever Willy Tibergien zover te krijgen, gewend als hij is om dichtbundels uit te geven met een oorlogsgeurtje en het uitzicht van een woonblok waar een schele architect zich over gebogen heeft. Aan alle dichtbundels van Inge Braeckman is te zien dat zijn kritieken schrijft voor <H>ART, het bewonderswaardige tijdschrift voor beeldende kunst van de merkaardige Marc Ruyters. Vormgever Jan Vercruysse heeft goed geluisterd naar de wensen van Inge Braeckman en wie later op bezoek komt. De bundel is een huis en elk gedicht is een kamer. Huis en kamers zijn één en toch hebben de kamers een eigen landschap.

‘Het feit is dat de waarheid simpel is, maar dat het niet simpel is de waarheid te vertellen,’ stelt het Nederlandse kunstenaarsduo Lonnie van Brummelen & Siebren de Haan. Zo begint de beschouwing van Inge Braeckman in het recentste nummer van <H>ART. Hetzelfde statement geldt voor de gedichten van Braeckman. Ze omzeilt het probleem van het vertellen van de simpele waarheid door de titel van haar bundel, Incantaties 1. Toverspreuken zijn er echter niet in te vinden, net zomin als betoveringen, daarvoor zijn haar gedichten te radicaal realistisch. Hooguit zijn het een begin van bezweringen. Ieder van ons streeft naar iets wat er niet is. De hoogste betrachting is de liefde, maar die is onbestaande. Liefde is een verzinsel.

Die gedachte zit verborgen in elk gedicht. Of het nu over een toestand, een gedachte of een persoon gaat. Zij zegt wat zij ziet en spreekt een oordeel uit, voor zichzelf. Het op papier zetten, bundelen en de lezer aanbieden is het vragen naar een second oppinion. In geval zij die krijgt, door een recensie bijvoorbeeld, acteert zij die zonder dat haar mening zal worden veranderd. Wat op papier staat, is niet kapot te krijgen. Geen aanslag zal haar mening beschadigen. Wat niet reëel is, is sterker dan het reële. Die theorie zit al vervat in de opdracht, een versregel van Hugues C. Pernath, gehaald uit … van Mijn tegenstem: ‘Tot uw, tot mijn ogen sprak’. En nu de man met het dom oor, zoals Hugo Claus hem tweemaal noemde in zijn magistrale cyclus Het graf van Pernath, ter sprake komt. Inge Braeckman kan haar meester niet verbergen. Niet dat zijn imitaties schrijft, maar beide dichters hebben dezelfde grondtoon. Hij bestaat uit een laag wraak, verluchtigt met taalspel.

In tegenstelling tot haar eerdere werk zijn de gedichten uit Imitaties 1 minder hermetisch. Klare en duidelijke taal. Het poëtische zit hem – niet sterker maar bloter - in de gevoeligheid van haar taal. Elk gedicht is een schram in haar brein. Hij weerhoudt haar niet tot het maken van combinaties van tederheid en fataliteit. Een goed voorbeeld is het slotgedicht van de bundel, dat zij schreef als nieuwjaarsgedicht voor 2011. De twee eerste versregels zijn het gedicht, de overige versregels zijn nadere verklaring, en de combinatie waarover zonet bericht zit in die twee regels gevangen: ‘2011, [steeds], ik vind je uit / in deze nacht aan de rand van een slaapravage.’

De cyclus Verlate herinnering vangt aan met een notitie van Gertrude Starink: ‘Ik sta blootsvoets voor het open raam.’ Dat klopt. Wat er volgt in de vijf gedichten van deze cyclus zijn gewenste gevoelens bij verbeelde gebeurtenissen. Een ballast waarvan zij slechts verlost raakt door de deze wensbeelden te ontwikkelen op papier. Zwart op wit. Maar daarmee is zij niet uit haar lijden verlost. Het open raam, de cadrage, is een brandwonde van het netvlies. Dat bekent Braeckman in de slotregels van het gedicht met een tussen haakjes gezette titel: [Camera zoemt in op de rug van een vrouw],waarmee deze cyclus afsluit: ‘Zodat het nu lijkt dat ze nooit meer iets worden moet en ze zich niets anders dan het staren door het open raam te herinneren heeft.’

De naam van de bundel eindigt met het cijfer 1. Betekent dit dat er Incantaties 2 staat aan te komen? Ik ontbood de dichteres. Zij kwam meteen. Terwijl de inhoud van het infuus zich fuseerde met mijn bloed las zij mijn mening over haar nieuwste dichtbundel en zei dat het antwoord op mijn vraag verscholen zit in het slotgedicht. ‘Maar je weet nooit,’ zei zij op haar typisch gewichtige, mythische schichtige, maar altijd voorzichtige karaktertoon, ‘misschien sla ik twee over en schakel meteen over naar drie. Elk gedicht, en dus ook elke bundel, is een priemgetal.’

Met dit cryptisch antwoord moest ik het doen. Wat restte mij anders dan aan mijn mening vast te houden? Die had zij niet in het vuur van een discussie geworpen. En het ‘[titelloos] slotgedicht de lezer onder de neus te duwen? Het gedicht is grafisch een prozaïsch verhaal. Observerend vanuit een beeldende poëtische waardigheid.

‘De tijd een enkelband. De dynamiek van aandrift in de hand, gegoten in de taal van dit aanwezig paradijs. Incantaties van het zijn. De schokken van het beeld, verkalkt, ontkalkt, terre du tableau. Het ritme is een tekst, de cirkel wordt een schoot, een mise-en-scène voor het woord, een e-reader tegen elke dood. Dixit. Het glacis van de ruimte rijmt. Over sneeuw en ijs ontstaat een werkelijkheid, die zich hertaalt, herhaalt, los van en na herinnering.’

Wat mij betreft moge er nog veel van zulke hertalingen, herhalingen volgen.

 

Guido Lauwaert over Incantaties 1
gent, 2011-12-24

 


‘De verzen van Inge Braeckman zijn vervuld van een
aangrijpende/ongrijpbare vrouwelijkheid. Dermate dat,
al lezend, je dagen als ’t ware verglijden tot nachten die
door het teerste wit zijn gedragen. Door poëzie dus, de ware
en onmisbare die Taal zegt tot het Lichaam dat wij zijn.’

Ivo Michiels over Beeltenissen

 

Braeckman versoepelt de grenzen van de poëzie

 

De Vlaamse dichteres Inge Braeckman debuteerde in 2009 met Beeltenissen. In 2011 verscheen Incantaties 1 en in 2013 kwam het vervolg, Incantaties 2. Braeckmans debuut heb ik nooit onder ogen gehad, maar beide Incantaties wel. Door en door doorwrochte dichtbundels zijn het, hoewel het woord bundel geen recht doet aan de rijke vormgeving (door kunstenaar Jan Vercruysse). Het Poëziecentrum Gent, dat behalve uitgeverij bijvoorbeeld ook een documentatiecentrum is dat beschikt over een zeer uitgebreide collectie aan poëzieboeken uit de Lage Landen, wierp zich op voor de uitgaven van Braeckman. Incantaties 2 is net als deel 1 gedrukt op papier groter en vierkanter dan A4-formaat; het zijn pagina’s van 150 gram. De bladzijden ontsnappen niet uit je vingers en als ze dat doen, klinkt het als grote sneeuwvlokken die tegen een raam slaan.

 

Het ziet ernaar uit dat Braeckman met ‘incantaties’ haar eigen gedichten bedoelt en tegelijk de prominent geplaatste citaten die de gedichten en gedichtenreeksen scheiden. Citaten die je een paar keer leest, zoals het openingscitaat van Tranströmer: ‘Midden in het bos bevindt zich een onverwachte open plek die slechts gevonden kan worden door wie is verdwaald.’ ‘Alles was vlucht op onze aarde’, wordt verderop Neruda geciteerd. Veel quotes staan overigens in de oorspronkelijke taal, wat waarschijnlijk te maken heeft met een groot taalrespect van de dichteres die onder meer Germaanse Filologie studeerde.

 

Van kantlijn tot kantlijn, springerig van rechts naar links met veel witruimte ertussen, langgerekt of in een massieve blokvorm, met inspringingen; de veelvormigheid van de poëzie van Braeckman is nauwelijks te vatten in deze bespreking. Je kunt concluderen dat de vorm volledig ondergeschikt is gemaakt aan de inhoud – de dichteres heeft de inhoud van haar gedichten de vorm laten bepalen. Dat vind ik getuigen van lef. Wat ook direct opvalt, is Braeckmans gebruik van buitenlandse taal in de gedichten. De Engelse en Latijnse woorden, die wel bijdragen aan het hoge rijmgehalte in beide Incantaties en aan het mysterieuze karakter van de meeste spreuken, komen helaas popie jopie over. In Vlaanderen ervaart men het misschien anders.

 

De nieuwste Incantaties begint met een titelloos gedicht waar het eerste deel mee eindigt. Als ik de laatste gedichten van Incantaties 2 lees, dan vermoed ik dat er geen Incantaties 3 volgt. Het slotgedicht is getiteld ‘Ontwaken’ en gaat zo:

Bij het ontwaken dit landschap omwikkeld met een laken – een baken in het

 [louterende
bekende van tederheid. Onze lichamen niet langer gedragen door de

 [vermomming van
gemis, maar ontwaakt in de oorspronkelijke verschijning van betekenis,

 [getrokken uit het
licht van de vollemaan. Septembernachten en wat ze brachten: uitlaatgassen

 [als misleiding
van een kant-en-klare gestalte. Je brengt me de geur van oorsprong terug,

 [van symbiose –

 

 

Ontwaken

‘Het einde van de cyclus breekt aan’ staat in het voorlaatste gedicht ‘Van verre streken’. Het betekent dat alle nodige toverspreuken geschreven zijn. Wat willen de spreuken? In veel ervan wordt een geliefd iemand of iets toegesproken en vormen lichamelijke verbondenheid en de tegenstelling vergankelijkheid/onvergankelijkheid het middelpunt. In de afdeling ‘Plaatsen (Non Sequitur)’ worden de schoonheid en geschiedenis (die mede de schoonheid veroorzaakt) van de Italiaanse hoofdstad tweemaal bezongen: in ‘Via Omero 8’ – ‘stad die zich identificeert met elke / tegenstander, en zich onbekommerd / verdicht met geluk.’ – en in ‘Rome’.

 

Rome

Aan het einde van dit gedicht lijkt het besef te landen dat de eeuwige schoonheid van de stad van lange levensduur is en dat de waarneming van de mens die schoonheid niet kan vasthouden. Schoonheid ontglipt de mens. Onder andere daarom zal Braeckman een gedicht als deze schrijven; om te proberen de waarneming van die schoonheid langer te laten duren. Zo proberen Braeckmans incantaties vaker iets vast te houden. De dichter is trouwens een ster in open eindes. Veel gedichten sluiten bijvoorbeeld met een streep of een onafgemaakte zin, sommige andere eindigen zonder punt of met drie punten. Dan stokt de stem van de spreker door de impact van het inzicht, lijkt het.

 

Veel gedichten zijn er voor geliefden, waaronder schrijver Ivo Michiels. In het gedicht ‘10.10.2012’, (de dag waarop Michiels begraven werd) stapt ‘een waaier van stilte prevelend achter je aan’. De gedichten gericht aan een onbekende ‘u’ en een ‘je’ staan vol met mooie poëtische taal. Uit ‘Landschappelijkheid: ‘Je polsslag op mijn mond. / Een lont dat in onze lichamen ontbrandt. De tijd / zit in de slaap gevangen. […] Mijn wereld is van jou / gemaakt.’ Ook sommige gedichten uit de afdeling ‘(Vanitas)’ zijn prachtig om hun originele, romantische formuleringen. Op Ooteoote staat het gedicht 'Voor dat het zomer wordt' dat onder de titel ‘Bloesems’ is opgenomen in deze afdeling.

 

De poëzie van Inge Braeckman doet me denken aan de mysterieuze poëzie van Gertrude Starink, van wie een citaat is opgenomen in Incantaties 1. Het zit ‘m in de woorden die gekozen zijn als codetaal voor de werkelijkheid (hoewel Braeckman abstracter schrijft), het fijne rijm en het onnadrukkelijke enjambement en de manier waarop de poëzie gebruikt wordt – als een met intense verbondenheid beschrijven en toespreken. Dit soort poëzie gaat heldhaftig tegen de tijdgeest in om daardoor alleen maar aan schoonheid te winnen, misschien zelfs die van een zeer langdurige soort.

 

Ruben Hofma over Incantaties 2, 6 november 2014

artikel

 
 
 

Van alle soorten boeken is de poëziebundel wellicht het meest geschikt om de subtiliteiten van typografie en vormgeving tot uiting te laten komen. Dat moet de Gentse dichteres Inge Braeckman ook gedacht hebben toen ze de kunstenaar Jan Vercruysse vroeg om haar recente bundel te ontwerpen. Jan Vercruysse is berucht voor de compromisloze en strenge aanpak van zijn catalogi, edities en kunstenaarsboeken. Een poëziebundel hoeft niet per se een losse aaneenschakeling te zijn van gedichten, verpakt in pocketformaat met een cover bedacht door de managementafdeling van een uitgeverij. Jan Vercruysse koos voor een groot formaat, dat alle plaats biedt om te tonen hoe een uitgekiende typografie bijdraagt aan het kijk- en leesplezier van de poëzieliefhebber. Rust en concentratie zijn hier het resultaat van een gecontroleerde behandeling van wit en tekst. De nadrukkelijke, maar sobere onderverdeling van de gedichten levert, zonder gebruik te maken van paginanummers, toch een overzichtelijk geheel op. En dat verheldert de doordachte poëzie van Inge Braeckman. Het is alsof de gedichten in het licht staan. Deze symbiose krijgt men niet zo vaak te zien in poëzieland Vlaanderen.

 

Marc Goethals over Incantaties 1 in De Witte Raaf, 2012