Pers

 

Hedwig Speliers over Venus' Vonken:

'Ik blader vaak doorheen dit zalige taallandschap dat je creëert

met een metaforische taalkracht, met een rijke semantiek

en met een gesacraliseerde sensualiteit. Vooral je metaforiek

is onnavolgbaar intens en mooi, beelden vloeien zomaar 

en volgen het klankspoor van de woorden, woorden die

het lichamelijke en het lichaam vergeestelijkt verhelderen.

Ik wil je meteen danken voor dit prachtige lyrische moment,

voor de haast adellijke adem die je taal uitstraalt.'

De inleiding van Bart Stouten over Venus' Vonken:

Ik ben blij dat u gekomen bent om kennis te maken met een heel bijzondere bundel van dichteres en ook critica Inge Braeckman. Een bundel over de essentie van wat ons drijft, hier op aarde, onze hoogste betrachting maar misschien ook mooiste verzinsel: de liefde.

Deze van dag naar nacht, van leven naar dood (en weer terug) muterende poëzie van Inge Braeckman is een ‘netwerk van bewegende taferelen’. Zo zegt de dichteres dat zelf, en ik onderschrijf het graag.

Dat is een eerste belangrijke vaststelling: alles is met alles verbonden in deze bundel: het stille van de nacht, alle kleuren en licht van de dag, het wereldse en het sacrale. Het is allemaal met elkaar verbonden. EN met de taal. Verbonden in een netwerk van bewegende taferelen.

Bewegende taferelen. Die zitten al vervat in het motto van de bundel, dat aan Ovidius wordt ontleed, in zijn Metamorfosen. Een naakte Venus droogt haar natte lokken, zoals dat mooie doek ‘La Naissance de Venus’ van de 19e eeuwse Eugène Duval. Maar wij zien de geboorte van Venus, zoals Botticelli ze zag aan het einde van de 15e eeuw, of nee, we zien naast Venus natuurlijk Juno en Minerva staan in een doek van Jacob Jordaens, en we mogen ervan uitgaan dat Inge Braeckman Paris is, die oordeelt wie de mooiste is van hen.

Bewegende taferelen. Ovidius’ Metamorfosen, maar ook doeken, doeken van beminde schilderes zoals Peggy Wauters, die in alle stilte en luwte een gigantisch oeuvre bij elkaar schilderde, of de drie jaar geleden overleden Karel Dierickx, die een (met de betrachting van deze dichteres congruent) verlangen ademde naar tijdeloosheid. Stilte en luwte zullen de voedingsbodem worden voor de mooiste verzen van Inge die inderdaad ook gestuwd lijken door een krachtig begeren naar tijdeloosheid.

Beweeglijke verzen, zijn het dus, verzen vol metafoor. Trage travelling door beelden, als in de wereld van David Claerbout. In haar gedicht ‘Voor Eddy’ lijkt Inge de essentie van haar met woorden geschilderde beweeglijke, maar verstilde beelden te vatten: ze heeft het daar zo veelzeggend over ‘het Japan van je verlangen’.

Mijn tweede belangrijke vaststelling heeft te maken met die zen-achtige kwaliteit van de bundel. De meditatieve toon benut opperste concentratie, die een duik in de diepte van de ervaring, de liefdeservaring, toelaat. Daar liggen we dan, zoals Inge heel mooi zegt, ‘in de golfslag van uren, van woorden, van beelden, onze lichamen en gedachten’. In de golfslag van uren, van woorden: is dat niet wondermooi gevat, die samenkomst van tijd en taal, die de essentie van ons bestaan raakt? Ik moet opeens denken aan een uitspraak van dichteres Elizabeth Bishop: wanneer ik een gedicht gelezen heb, en de wereld LIJKT 24 uur op dat gedicht, dan weet ik dat ik een GOED gedicht gelezen heb. Welnu, die lakmoestest heb ik meermaals toegepast op de verzen van Inge, en ik verzeker u: het was zalig de wereld te herkennen in die golfslag van uren, van woorden om mijn oren.

Ik zei net dat we in en heel bijzondere bundel toeven die de transformatie van dag naar nacht schildert. De dag die nacht wordt vraagt natuurlijk, voor de sterfelijke wezens die we (onder onze goddelijke schijn) zijn, om een overnachting. Het bewustzijn wil namelijk fantasie en droom kunnen worden, heeft die nodig om te herbronnen, om vanuit nieuwe mogelijkheden naar de vertrouwde realiteit te kunnen kijken, de werkelijkheid die dan als een ‘bootje in een fles’ op het water van onuitgesproken gedachten, verlangens en taboes drijft.

Zo voel ik dat aan bij het lezen van Inges mooie verzen, die vol kleur en licht en klank en sensualiteit zitten, maar op een virtueel niveau. Mijn derde belangrijke vaststelling: in een onirische of verdroomde taal-realiteit wordt de wereld die wij bewonen verrijkt met het vermoede maar nog niet-geziene, alles wat als een ijsberg onder water zit en waarvan we alleen maar een tipje kennen. Heel de bundel ademt een hang naar het ongrijpbaar bijzondere.

Dat spoort heel mooi met Ovidius. Vijftien boeken lang bezingt Ovidius de goden, maar ook de vergoddelijking van Caesar, de leerstellingen van Pythagoras, de legendes van het oude Rome, het begin van de Trojaanse oorlog, het ontstaan van de wereld vanuit de Chaos. Onuitgesproken gedachten, verlangens en taboes passeren de revue, vijftien boeken lang. Denk aan Echo die Narcissus ontmoet, verliefd wordt op hem, niet in staat is haar liefde tot expressie te brengen en dan de aandrang voelt om hem te begluren terwijl hij zijn eigen beeld bemint dat weerspiegeld wordt in het water. Tot uiteindelijk de schoonheid van Echo zal faden, en haar gebeente zelf in steen zal veranderen.

Dat leidt me tot mijn vierde belangrijke vaststelling. Ik meen te begrijpen dat Inge Braeckman in de paradoxale kern van de liefde, die een verbinding wil leggen tussen de eigen gekende wereld en de altijd vreemde wereld van de Ander, het mysterie van het bestaan ontwaart, op zijn mooist, in zijn meest dramatische vorm.  Ik moest vaak denken aan de woorden van Ted Hughes, die zo mooi naar het mysterie van het bestaan gaat via de Ander wanneer hij zegt: ‘Doe zoals je wilt met mij. Ik ben je pakket. Ik heb alleen ons adres op mij. Open mij, of pas me aan. Geef me een nieuw adres.' In het geval van Inge mag het pakket echt een onvermoed cadeau zijn. Zij geeft zich in haar poëzie als een geschenk aan ons.

De metamorfosen van Ovidius krijgen hun ware relevantie aan het slot, wanneer het ‘metafyische verankert’, zoals ze dat zegt, ‘het open- en dichtgaan omvademt’. En dat open- en dichtgaan van een ademhaling, die de bundel heel mooi imiteert, suggereert ook de getijden van het verlangen. Een verlangen dat geblust wordt, om het in Lacaniaanse termen te zeggen, door een groter verlangen. Een verlangen met een hoofdletter. Of, zoals Inge dan zegt in haar Rome-gedicht, een hele halsketting van verlangen.

Liefde wordt in Venus’ Vonken in al zijn facetten uitgespit. Ook Venus. Niet alleen de Boticelli-Venus, maar ook de beschermster van tuinen en wijngaarden. Tuinen worden steden als Damme, Rome en Dubai (dat schenkt ruimte om het landelijke, het stedelijke, de klassieke wereld en de hypermoderne wereld bij elkaar te brengen, evenveel smartphones en wifi en oortjes als bloemen en vogels in deze poëzie). Telkens is er wel een aanleiding voor een hommage, een hommage sotto voce, of een hommage ad hominem, wanneer louter een voornaam wordt vermeld (zoals Eddy en Clara), en dan heel expliciete hommages, met als meest opvallende die voor Peggy Wauters, Karel Dierickx en Breyten Breytenbach (met dat heerlijke roodborstje dat het gedicht binnenspringt en de verzen sluimerend aaneenrijgt, zo mooi weer).

Inge Braeckman onderneemt geen poging om het mysterie van het bestaan te debunken, zij weet dat het zich ‘in fine’ nooit in woorden laat vangen, maar ze weet het mysterie op te wekken als in een scéance van zacht gezeefd licht, een scéance vol fluistering, vol dons en zachte geluiden, of beter nog een tableau vivant vol pastelkleur en miriaden van minuscule details, altijd in beweging, een dons van meeldraden waarbij u meeldraden dan mag vervangen door zorgvuldige kleine observaties van ongezien gevaar, in twijfel gestelde zekerheden, onvermoede belagers van een utopie. Alles subtiel en op micro-niveau dus, maar met een dramatische impact op het grotere beeld.

Vijfde belangrijke vaststelling: de poëzie van Inge Braeckman is een soort electronenmicroscoop waar diepere, beweeglijke werkelijkheid verschijnt, een werkelijkheid van ‘het detail’ dat meesterlijk uitvergroot wordt. Soms is de uitvergroting een onzinnige idee, die Inge verbluffend weet te minachten, zoals het politiek (of mag ik in deze context ‘poëtisch’ zeggen) correct denken dat op een catastrofe is uitgelopen. Zo begrijp ik haar allusie op Breyten Breytenbach, die in zijn essays wat hij noemt ‘het gezicht van de werkelijkheid’ heeft verkend, en tot de vaststelling komt dat het niet mogelijk is ‘een’ werkelijkheid te beperken tot (of te laten knechten door) de gehanteerde politiek correcte interpretatie.

Maar niet getreurd, want ‘effen het watervlak waarin de inkt van eeuwigheden en odysseusiaanse tochten wordt uitgegoten’, zoals Inge dat bijzonder trefzeker zegt. Als liefde dat water kan stillen, als liefde het water onverstoorbaar maakt, dan vind ik dat werkelijk een trouvaille van heb-je-me-daar, want geef toe, liefde associëren we eerder met een woelig maken, een wind teweegbrengen, een water dat zich laat opzwiepen.

De ‘zeven tulpen in zilverpapier’ zijn een extrapolatie van de vele beelden met bloemen en het vele stille gegoochel met goud en zilver, diamant en andere schittering van edelmetalen. Met de ‘zeven tulpen in zilverpapier’ staat de dichteres voor ‘zijn graf’. De utopische harmonie en schoonheid en sensualiteit was slechts een vertrek, een begin. Harmonie, schoonheid en sensualiteit zijn gekanteld en gevallen. En er is niet alleen het graf, de dood. Bloemblaadjes worden in plastic verpakt, gedachten worden nooit uitgesproken, ‘taal dobbelt nooit om waarde’.

De bloesems trappelden ergens midden in deze bundel van ongeduld. Maar ze leken al te beseffen dat ze zelf vertrappeld zouden worden. Zoals een appartement aan zee dat door de jaren langzaam door betonrot wordt bedreigd, zal de utopie vervat in de mythologische sublimatie van alle schoonheid in Venus het gevaar impliceren van een wrede dystopie. Er werd naar de begraafplaats gereden. De heuvel was leeg en koud... Zesde belangrijke vaststelling: de subtiele, tedere schoonheid was een handlanger van de ruwe, wrede dood. Het mooie zijn wordt een kompaan van het onzachte niet-zijn.

Samen met Octavio Paz heeft de dichteres bij dageraad een naam gezocht voor wat ontstaat. Ja, alles ‘ontstaat’ in deze wereld van transformatie of metamorfose. Alles ‘ontstaat’ voortdurend. Alles ontstaat voortdurend in een nooit eindigende evolutie. Evolutie, maar ook revolutie, als ik de naam van Octavio Paz, die veel bijgedragen heeft aan de landshervormingen in Mexico, mag verbinden met de tumultueuze tijd van revolutie in Mexico. En inderdaad, dat revolutionair engagement dat voelbaar is achter de verzen in de wereld van Inge Braeckman laat haar ook een ode schrijven aan de dichter die in ballingschap de apartheid bestreed, Breyten Breytenbach.

Zevende vaststelling: onder de esthetica schuilt een ethica die zich van de esthetica wil bedienen. Dat is trouwens heel knap: ze staan niet diametraal tegenover elkaar, ze hebben elkaar nodig in deze bundel.

Evolutie en transformatie is een belangrijk begrip in deze gedichtenwereld vol metamorfose en odysseussiaanse tochten. Die evolutie leek te worden geholpen door de technologie, denkt u maar aan de spectaculaire ontplooiing van ons internet, waarvan wij allen de heldhalftige surfonauten willen zijn. Maar technologie, die er was om te faciliteren, liet zijn gemene kant zien. Technologie wordt eerder als een belemmering dan facilitator gezien: ‘wifi staat on hold’. In enkele van de mooiste verzen van de bundel zegt Inge: ‘Gedachten geen vrees voor / geweerschoten kennen / wanneer Twitter, Diaspora / en V-contact // angst als korrels de ruimte in / zaaien, zich een autobom wanen.’

Achtste vaststelling: onder de afkeer voor een ontsporende technologie laat zich een verlangen voelen naar een wereld zonder bloed en onenigheden.

Gelukkig is de dood ook nog een beetje leven, een laatste rilling zou Beckett zeggen. ‘Mourir, c’est vivre encore’ parafraseert Inge hem. Ik moest aan Tahar Ben Jelloun denken, die daarop varieert met zijn woorden die ook zo mooi passen bij het hier door Inge geformuleerde: ‘Voir les autres mourir, c'est apprendre à vivre’.

Negende vaststelling: Inge Braeckman brengt haar lezer aan de rand van de afgrond, tot vlak bij de dood. Maar aan die rand van de afgrond bloeien prachtige verzen. Daar is de intensiteit van het leven het grootst. Daar dansen de vlammen van begeerte, zoals Inge ze noemt, waarin u tot stilstand komt. ‘U’ staat dan wel met een kleine letter, maar ik denk dat het ook de Dode God van Nietzsche kan zijn. Want tegenover de ene wereld van God staan er de parallelle heelallen van de fysica: ‘We zijn één wereld, voor elkaar, ook parallel’ zegt Inge, met een fijn knipoogje naar de quantumfysica.

Lieve vrienden, ik hoop dat ik via deze acht kernachtige vaststellingen heb mogen aanreiken wat een geweldig mooie bundel hier op uw aandacht wacht. Het overkomt me niet elke dag dat ik zoveel briljante verzen te lezen krijg. Grootse inhoud, grootse vorm worden niet opdringerig en met retorisch gemak (of zo), maar juist heel gedoseerd en uitgepuurd geserveerd door Inge Braeckman. Ik wil haar feliciteren voor wat mij voorkomt als een bijzonder vruchtbare interactie tussen taal en object. Voor de clevere wijze waarop zij haar poëtische intenties linkt en samen aanpak. Voor de haast verbluffende wijze waarop een hooggestemde wereld van gevoel niet verpletterd wordt door teneerdrukkende realiteit, maar juist via de zo rake en vindingrijke taal gestut wordt.  Dat is eigenlijk het allermooiste aan deze bundel, vind ik, en dat is dan mijn tiende en finale vaststelling: taal compenseert de neiging van de werkelijkheid om ons neer te halen. Taal is er hier om een avontuur te rapporteren dat je, neergeschreven in deze meesterlijke poëzie, voor geen goud zou willen missen.

Ik wens u allen van harte een boeiende lectuur, ik feliciteer toto corde Inge Braeckman, en ik vond het heel fijn om bij u te zijn dankzij zo’n mooie bundel van het Poëziecentrum.

Bart Stouten

 Foto Frederik Cornelis

Foto Frederik Cornelis

 

Inge Braeckman (Gent, 1974) is een onafhankelijke publicist, curator, redacteur, dichter en schrijver. Ze is Licentiaat in de Rechtsgeleerdheid en studeerde Germaanse Filologie aan UGent. Na haar studies ging ze als journalist aan de slag voor De Gentenaar en Het Volk, waarvoor ze de tentoonstellingen in het S.M.A.K. recenseerde. Ze schreef ook reisverhalen voor Het Nieuwsblad.
Sinds 2000 werkt ze als kunstcriticus, redacteur, vertaler en proofreader. Zo redigeerde ze voor uitgeverij Ludion onder andere Urbi et Orbi van Luc Deleu, Decennium - Kunst in Europa na Documenta IX, Tant Pis van Honoré d'O, Sam Dillemans, Welcome to Belgium van Charif Benhelima, Michaël Borremans, Het grafische oeuvre van Roger Raveel, The Museum of Museums van Johan Van Geluwe, Dagboeknotities van Ronny Delrue, I don't get it van Luc Tuymans, et cetera. Ze was curator voor de 51e Biënnale van Venetië. Ze werkte ook als redacteur en projectcoördinator voor Cera Foundation in 2006-2007 en 2009-2010.
Ze is werkzaam als publicist voor onder andere <H>Art Magazine en talrijke galeries in België.

Inge Braeckman debuteerde in 2009 bij het Poëziecentrum in Gent. Intussen verschenen bij diezelfde uitgeverij drie bundels van haar. Maar ze publiceerde ook gedichten in verschillende tijdschriften zoals Revolver, De Volksverheffing, Deus ex Machina, Oikos, Poëziekrant,... 

In 2013 werd een van haar gedichten geselecteerd voor de 100 beste gedichten van de VSB Poëzieprijs, gekozen door Saskia J. Stuiveling.

Haar gedichten werden reeds vertaald in het Frans, Duits, Engels, Roemeens, Nepalees, Italiaans, Kroatisch en Koreaans.

 
 
 Lezing Watou 2009

Lezing Watou 2009

 

 
 


‘De verzen van Inge Braeckman zijn vervuld van een
aangrijpende/ongrijpbare vrouwelijkheid. Dermate dat,
al lezend, je dagen als ’t ware verglijden tot nachten die
door het teerste wit zijn gedragen. Door poëzie dus, de ware
en onmisbare die Taal zegt tot het Lichaam dat wij zijn.’

Ivo Michiels over Beeltenissen

 

Braeckman versoepelt de grenzen van de poëzie

 

De Vlaamse dichteres Inge Braeckman debuteerde in 2009 met Beeltenissen. In 2011 verscheen Incantaties 1 en in 2013 kwam het vervolg, Incantaties 2. Braeckmans debuut heb ik nooit onder ogen gehad, maar beide Incantaties wel. Door en door doorwrochte dichtbundels zijn het, hoewel het woord bundel geen recht doet aan de rijke vormgeving (door kunstenaar Jan Vercruysse). Het Poëziecentrum Gent, dat behalve uitgeverij bijvoorbeeld ook een documentatiecentrum is dat beschikt over een zeer uitgebreide collectie aan poëzieboeken uit de Lage Landen, wierp zich op voor de uitgaven van Braeckman. Incantaties 2 is net als deel 1 gedrukt op papier groter en vierkanter dan A4-formaat; het zijn pagina’s van 150 gram. De bladzijden ontsnappen niet uit je vingers en als ze dat doen, klinkt het als grote sneeuwvlokken die tegen een raam slaan.

 

Het ziet ernaar uit dat Braeckman met ‘incantaties’ haar eigen gedichten bedoelt en tegelijk de prominent geplaatste citaten die de gedichten en gedichtenreeksen scheiden. Citaten die je een paar keer leest, zoals het openingscitaat van Tranströmer: ‘Midden in het bos bevindt zich een onverwachte open plek die slechts gevonden kan worden door wie is verdwaald.’ ‘Alles was vlucht op onze aarde’, wordt verderop Neruda geciteerd. Veel quotes staan overigens in de oorspronkelijke taal, wat waarschijnlijk te maken heeft met een groot taalrespect van de dichteres die onder meer Germaanse Filologie studeerde.

 

Van kantlijn tot kantlijn, springerig van rechts naar links met veel witruimte ertussen, langgerekt of in een massieve blokvorm, met inspringingen; de veelvormigheid van de poëzie van Braeckman is nauwelijks te vatten in deze bespreking. Je kunt concluderen dat de vorm volledig ondergeschikt is gemaakt aan de inhoud – de dichteres heeft de inhoud van haar gedichten de vorm laten bepalen. Dat vind ik getuigen van lef. Wat ook direct opvalt, is Braeckmans gebruik van buitenlandse taal in de gedichten. De Engelse en Latijnse woorden, die wel bijdragen aan het hoge rijmgehalte in beide Incantaties en aan het mysterieuze karakter van de meeste spreuken, komen helaas popie jopie over. In Vlaanderen ervaart men het misschien anders.

 

De nieuwste Incantaties begint met een titelloos gedicht waar het eerste deel mee eindigt. Als ik de laatste gedichten van Incantaties 2 lees, dan vermoed ik dat er geen Incantaties 3 volgt. Het slotgedicht is getiteld ‘Ontwaken’ en gaat zo:

Bij het ontwaken dit landschap omwikkeld met een laken – een baken in het

 [louterende
bekende van tederheid. Onze lichamen niet langer gedragen door de

 [vermomming van
gemis, maar ontwaakt in de oorspronkelijke verschijning van betekenis,

 [getrokken uit het
licht van de vollemaan. Septembernachten en wat ze brachten: uitlaatgassen

 [als misleiding
van een kant-en-klare gestalte. Je brengt me de geur van oorsprong terug,

 [van symbiose –

 

 

Ontwaken

‘Het einde van de cyclus breekt aan’ staat in het voorlaatste gedicht ‘Van verre streken’. Het betekent dat alle nodige toverspreuken geschreven zijn. Wat willen de spreuken? In veel ervan wordt een geliefd iemand of iets toegesproken en vormen lichamelijke verbondenheid en de tegenstelling vergankelijkheid/onvergankelijkheid het middelpunt. In de afdeling ‘Plaatsen (Non Sequitur)’ worden de schoonheid en geschiedenis (die mede de schoonheid veroorzaakt) van de Italiaanse hoofdstad tweemaal bezongen: in ‘Via Omero 8’ – ‘stad die zich identificeert met elke / tegenstander, en zich onbekommerd / verdicht met geluk.’ – en in ‘Rome’.

 

Rome

Aan het einde van dit gedicht lijkt het besef te landen dat de eeuwige schoonheid van de stad van lange levensduur is en dat de waarneming van de mens die schoonheid niet kan vasthouden. Schoonheid ontglipt de mens. Onder andere daarom zal Braeckman een gedicht als deze schrijven; om te proberen de waarneming van die schoonheid langer te laten duren. Zo proberen Braeckmans incantaties vaker iets vast te houden. De dichter is trouwens een ster in open eindes. Veel gedichten sluiten bijvoorbeeld met een streep of een onafgemaakte zin, sommige andere eindigen zonder punt of met drie punten. Dan stokt de stem van de spreker door de impact van het inzicht, lijkt het.

 

Veel gedichten zijn er voor geliefden, waaronder schrijver Ivo Michiels. In het gedicht ‘10.10.2012’, (de dag waarop Michiels begraven werd) stapt ‘een waaier van stilte prevelend achter je aan’. De gedichten gericht aan een onbekende ‘u’ en een ‘je’ staan vol met mooie poëtische taal. Uit ‘Landschappelijkheid: ‘Je polsslag op mijn mond. / Een lont dat in onze lichamen ontbrandt. De tijd / zit in de slaap gevangen. […] Mijn wereld is van jou / gemaakt.’ Ook sommige gedichten uit de afdeling ‘(Vanitas)’ zijn prachtig om hun originele, romantische formuleringen. Op Ooteoote staat het gedicht 'Voor dat het zomer wordt' dat onder de titel ‘Bloesems’ is opgenomen in deze afdeling.

 

De poëzie van Inge Braeckman doet me denken aan de mysterieuze poëzie van Gertrude Starink, van wie een citaat is opgenomen in Incantaties 1. Het zit ‘m in de woorden die gekozen zijn als codetaal voor de werkelijkheid (hoewel Braeckman abstracter schrijft), het fijne rijm en het onnadrukkelijke enjambement en de manier waarop de poëzie gebruikt wordt – als een met intense verbondenheid beschrijven en toespreken. Dit soort poëzie gaat heldhaftig tegen de tijdgeest in om daardoor alleen maar aan schoonheid te winnen, misschien zelfs die van een zeer langdurige soort.

 

Ruben Hofma over Incantaties 2, 6 november 2014

artikel